Als een polis geen uitkering voorziet van een verzekerd kapitaal ofwel bij leven op de vervaldag, ofwel bij overlijden vóór de vervaldag, kan hij niet als een levensverzekeringsovereenkomst gekwalificeerd worden. Dergelijke polis kan onmogelijk gekwalificeerd worden als een andere – in hoofde van de verzekeraar geoorloofde – overeenkomst. Deze polis kan geen gevolg hebben. De nietigheid is absoluut.
Volgens de controlewet mag een levensverzekeringsmaatschappij enkel levens verzekeren.
“Haar maatschappelijk doel is beperkt tot verzekering, kapitalisatie, of beheer van gemeenschappelijke pensioenfondsen, alsmede tot de verrichtingen die er rechtstreeks uit voortvloeien.”
(artikel 9 §1 van de Wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der Verzekeringsondernemingen).
Daarenboven is het voor elke verzekeringsonderneming naar Belgisch recht die een activiteit niet-leven uitoefent, verboden tezelfdertijd een activiteit leven uit te oefenen.
(artikel 14 §2 van de Wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der Verzekeringsondernemingen).
Een eventuele herkwalificatie van een polis zonder verzekerd kapitaal als iets anders dan een levensverzekeringsovereenkomst zou meteen een schending inhouden van zowel de Belgische wetten als de Europese regels (absolute nietigheid wegens ongeoorloofde oorzaak).
Artikel 1131 B.W.:
“Een verbintenis, aangegaan zonder oorzaak of uit valse oorzaak of uit een ongeoorloofde oorzaak, kan geen gevolg hebben.”
Rechtspraak:
“De nietigheid is absoluut; de rechter moet ze uitspreken.”
(Cass. 11 november 1870, Pas. 1871, I, 12).
Verzekeraars dienen dekkingswaarden, activa in volle eigendom, aan te houden ter nakoming van de verbintenissen tegenover de verzekerden of begunstigden.
(Art. 16, 17, 17bis en 18 van de Controlewet van 9 juli 1975).
Verzekeraars zijn institutionele beleggers die verplicht voor zichzelf beleggen, nooit voor derden.
Een polis zonder verzekerd kapitaal kan onmogelijk als een rechtstreekse belegging gekwalificeerd worden want de verzekeraar staat bij de CBF(A) niet ingeschreven als beleggingsinstelling (ICB), noch als vermogensbeheerder (een en ander is van openbare orde). Een verzekeraar heeft geen vergunning om te beleggen voor derden (hij belegt – bij wet verplicht – enkel voor zichzelf).
Daarenboven staan de “interne fondsen” van de verzekeraar niet bij het CBFA als beleggingsfonds geregistreerd en bestaan er van (de “compartimenten” van) de “interne fondsen” van de verzekeraar geen “stukken”, d.w.z. deelbewijzen waarvan de eventuele belegger eigenaar zou kunnen worden of zijn, zoals dit het geval is bij geregistreerde beleggingsfondsen (beleggingsfondsen zijn financiële instrumenten in de zin van de beleggingswet van 6 april 1995).
Als dergelijke polis niet als een levensverzekeringsovereenkomst kan gekwalificeerd worden, kan hij onmogelijk als een rechtstreekse belegging gekwalificeerd worden, wegens ongeoorloofde oorzaak in hoofde van de verzekeraar. Deze polis kan geen gevolg hebben. De nietigheid is absoluut.
Er is sprake van een beding ten behoeve van een derde wanneer in een contract het voordeel van het contract aan een derde zal toekomen, die buiten dit contract blijft. Een derdenbeding is slechts geldig als het geënt is op een (geldige) hoofdovereenkomst.
Het beding ten behoeve van een derde kan niet gemaakt worden in hoofde van de contractant zelf of van zijn rechtverkrijgenden. Men wordt immers geacht voor zichzelf en voor zijn erfgenamen of rechtverkrijgenden te hebben bedongen (artikel 1122 B.W.).
In een rechtsgeldig totstandgekomen levensverzekeringsovereenkomst bekomt de verzekeringnemer een schuldvordering op de verzekeraar door de betaling van premies. Deze schuldvordering heeft het verzekerd kapitaal als voorwerp. De verzekeringnemer kan dit voordeel toekennen aan een derde, d.w.z. dat hij zijn schuldvordering tegen de verzekeraar kan schenken aan een begunstigde.
J. Ernault & R. Lebeau, doctors in de rechten en licentiaten in verzekeringsrecht, schrijven in “Levensverzekering in de praktijk”, in opdracht van de B.V.V.O., over de rechten van de begunstigde in een levensverzekeringsovereenkomst op p. 85 het volgende:
“Dank zij het derdenbeding krijgt de begunstigde het recht om het verzekerd kapitaal te innen. De aanneming van de begunstiging doet het recht niet ontstaan, maar legt het vast. .....
... Het is niet de aanneming die een wilsovereenstemming veroorzaakt, waardoor een contract tot stand komt.”
Een beding ten behoeve van een derde leidt geen zelfstandig bestaan.
In de veronderstelling dat de polis gekwalificeerd zou worden als een beding ten behoeve van een derde, dan zou dit de hoofdverbintenis zijn, die volgens het maatschappelijk doel van de verzekeraar uitsluitend een levensverzekeringsprestatie zijn kan (in casu de uitkering van het verzekerd kapitaal bij leven of overlijden).
Een hoofdverbintenis, anders dan de eventuele uitkering van het verzekerd kapitaal, is evenwel uitgesloten, want in strijd met de statuten en bovendien ongeoorloofd, want de verzekeraar kan hiertoe geen vergunning bekomen (van openbare orde).
In het geval dat noch de polis zelf, noch het derdenbeding in de uitkering van een verzekerd kapitaal voorziet, is het voorwerp van de overeenkomst geen levensverzekeringsprestatie, en is het contract derhalve geen levensverzekeringsovereenkomst.
Als dergelijke polis niet als een levensverzekeringsovereenkomst kan gekwalificeerd worden, kan hij onmogelijk als een beding ten behoeve van een derde gekwalificeerd worden, wegens ongeoorloofde oorzaak in hoofde van de verzekeraar. Deze polis kan geen gevolg hebben. De nietigheid is absoluut.
| Bijlage | Grootte |
|---|---|
| Diskwalificatie.pdf | 102.23 KB |