De bankier beweert dat hij met geld van zijn cliënt de zogenaamde “verzekeringspremie” betaalt. De verzekeraar beweert dat hij met het ontvangen geld voor zijn cliënt “eenheden?” koopt van een “compartiment?” van een “intern fonds?”.
Bij een polis zonder verzekerd kapitaal, gaat de verzekeraar geen verzekeringsverplichting aan en dient hij voor deze polis geen dekking te voorzien. De verzekeraar wendt het ontvangen geld derhalve aan voor eigen gebruik en voor onbepaalde duur (wat dus kan beschouwd worden als een geldlening in de vorm van een kasfaciliteit).
De bank haalt wetens en willens het geld van de rekening van de cliënt (dikwijls zonder opdracht). De verzekeraar ontvangt wetens en willens het geld door toedoen van de bank. Deze betaling is evenwel zonder oorzaak en totaal onverschuldigd.
Wie niet te goeder trouw bezit, is gehouden de voortbrengsels, samen met de zaak terug te geven:
In het geval dat de verzekeringnemer beslist de verzekering geheel of gedeeltelijk “af te kopen”, zal de verzekeraar zogezegd “de reserve van de polis uitkeren”. Bij een nietige polis is deze som door de verzekeringnemer te goeder trouw onverschuldigd ontvangen. Deze som kan de verzekeraar terugvorderen van de verzekeringnemer. De verzekeraar dient wel de verzekeringspremie terug te geven aan de verzekeringnemer.
In het geval dat de zogenaamde verzekeringnemer overleden is, dient de verzekeraar de premie als onverschuldigd ontvangen geld terug te geven aan de rechtsopvolger van de verzekeringnemer, gewoonlijk de wettige erfgenaam.
Als de verzekeraar bij overlijden of op de vervaldag aan de begunstigde geen verzekerd kapitaal uitkeert, maar de zogenaamde “reserve”, is deze som door de begunstigde te goeder trouw onverschuldigd ontvangen. Deze som kan de verzekeraar van de begunstigde terugvorderen.
| Bijlage | Grootte |
|---|---|
| Geld terug.pdf | 92.51 KB |